Bron: De Rijnpost (door Marc Looijen) 17 juli 2007
Het is een onomkeerbaar proces geworden: voetbalclubs schakelen steeds meer over op kunstgras. Momenteel zijn ook de Veenendaalse hoofdklassers DOVO en G.V.V.V. druk bezig met de aanleg van de nieuwe mat, waarop straks de competitiewedstrijden hun beslag gaan krijgen.
Is dit een positieve ontwikkeling? Het verstand zegt ja, mijn gevoel echter nee. Natuurlijk is het, gezien het grote ledenbestand van deze verenigingen, een wijs besluit. Te veel wedstrijden, ook van andere clubteams, konden voorheen bij slecht weer geen doorgang vinden. Dat probleem wordt hiermee deels opgelost. Voor de terreinbeheerders is het kunstgras ook een zegen: even sproeien kort voor de wedstrijd en in de pauze en klaar is Kees!
Ploegen die regelmatig verliezen, hebben weinig plezier van kunstgras. Want wat was het toch altijd heerlijk schelden, na weer een nederlaag, op de belabberde conditie van het gras. Die verwensingen haalden al even regelmatig de krant als de klassieke verwijten richting de scheidsrechter. Een club in mineur steekt immers slechts zelden de hand in eigen boezem.
Welnu, die dooddoeners kunnen nu definitief de ijskast in. Wie op kunstgras verliest, ziet het aantal ‘boemannen’ schrikbarend slinken en zou - of is dat een utopie? - op een zeldzaam helder ogenblik weleens schuldbewust in de spiegel kunnen gaan kijken.
Waarom mijn gevoel tegen kunstgras ageert? Simpel, want wat gaat er met zo’n kunststof tapijt veel charme van een partijtje voetbal verloren. De beste ploeg hoort te winnen, daar breng ik niets tegenin, en die kans is op zo’n smetteloze mat nu eenmaal aantoonbaar groter dan op een oneffen knollenveld waarop de natuurelementen af en toe flink hun gang kunnen gaan.
Maar los van die eerlijkheidsfactor: met al dat kunstgras gaan we toch op den duur de incidenten missen die jaren nadien nog steeds de tongen losmaken? Denk maar aan ‘het polletje van Hans van Breukelen’ uit 1987 tijdens de topper tussen PSV en Feyenoord. Of voormalig PSV-aanvaller Jurrie Koolhof die al jubelde toen hij de bal met een schuiver richting het lege doel schoot. Toen hij zich omdraaide, zag hij het leder voor de doellijn stil liggen in de modder. Geen doelpunt dus. Onvergetelijke momenten die twintig jaar later nog steeds beklijven.
Een terreinknecht die op zaterdagmorgen - op z’n knieën - nog gauw even wat ongelijke sprietjes bijknipt. Zucht…Maar bovenal: de geur van vers gemaaid gras! Toegegeven: voor een hooikoortspatiënt als ik zijn er plezieriger facetten aan het voetbalspel dan dat, maar alles liever dan een veld dat - als het vies wordt - bij wijze van spreken na afloop samen met de tenues van de heren voetballers in de wasmachine kan meedraaien …