In deel 7 besteedde ik aandacht aan twee zeer succesvolle oudgedienden, te weten Gerard Hoedeman en Jan Ditewig (†), die eregasten waren t.g.v. het 70-jarig bestaan van G.V.V.V. bij een zogenaamde ‘old-stars’ wedstrijd. In diezelfde categorie valt Anton Leppers, de hoofdpersoon die ik vandaag voor het voetlicht wil brengen. Want hij was in 2017 toen eveneens eregast en poseerde samen met zijn voormalig ploegmaten, en toen ook nog vriendenclub die samen vaak wedstrijden van het vlaggenschip bezochten.
U ziet dat ik in de verleden tijd schrijf, want tot groot verdriet ontviel Anton Leppers ons begin mei 2019 op 84-jarige leeftijd. Gelukkig had voormalig lid van het webredactieteam, Jeroen van Barneveld dit clubicoon al uitgebreid geportretteerd in de presenstatiegids die aan het begin van jaargang 2015 – 2016 verscheen. En daarmee waren dus de belevenissen van Anton Leppers bij ‘zijn’ club voor een aardig deel vastgelegd voor het nageslacht.
Daar wil ik u – wellicht wederom omdat u deze presentatiegids nog in uw bezit heeft – in deze aflevering deelgenoot van laten worden.

In november 2017 werd het 70-jarig bestaan van onze club gevierd met o.a. een onderlinge wedstrijd tussen diverse ‘old stars’. Als eregasten waren daarbij uitgenodigd de toen nog vier levenden van het team dat G.V.V.V. medio 1960 naar de tweede klasse voerde van de KNVB, het toenmalig hoogste zaterdag amateurniveau.
V.l.n.r. Gerard Hoedeman, Jan Ditewig (overleden op 6 februari 2018 op 79-jarige leeftijd), Anton Leppers en Elzo Scholts.

Let op!
In de tekst staan weer zogenaamde hyperlinks die verwijzen naar gerelateerde artikelen. Met een klik daarop openen zich die in een nieuw venster (window).      

============================================================================================

‘Wij zijn de grondleggers van G.V.V.V. geweest’

Hij wordt door velen de beste rechtsback van G.V.V.V. aller tijden genoemd, maar zelf blijft hij bescheiden over zijn kwaliteiten. Anton Leppers (80) vond zichzelf ‘best een goede voetballer’, meer niet. In zijn tijd, van begin ’50 tot de helft van de jaren ’60 had G.V.V.V. elf goede voetballers. Over hoe de sierlijke midvoor de kampioensjaren van 1959 en 1960 beleefde en later noodgedwongen werd omgedoopt tot rechtsback.

Met glunderde ogen aanschouwt de rechtsback van weleer een Delftsblauw bordje met daarop het kampioenselftal van 1960. Op de achtergrond zijn de huizen van de Buurtlaan te zien, op de voorgrond het elftal dat G.V.V.V. in drie seizoenen tijd naar het hoogste voetbalpodium bracht. Leppers heeft het bordje naast zijn slaapkamer hangen.
Hij loopt er iedere dag langs, kijkt er soms naar en haalt wat herinneringen op. Ondanks zijn 80-jarige leeftijd loopt hij soepel verder naar beneden of naar de slaapkamer. De laatste jaren worden de oudgedienden steeds meer door G.V.V.V. en  businessclub in de watten gelegd, wetende dat de gezondheid er niet op vooruit gaat. De verhalen van toen mogen nu niet vergeten worden.

BLAUWE SJAAL
De eerste reünie was in de herfst van 2013, toen G.V.V.V. in de competitie bezoek kreeg van IJsselmeervogels. Speciaal georganiseerd voor Jacob van de Pavert, de legendarische oud-doelman die ernstig ziek was en noodgedwongen naar zorgcentrum ’t Boveneind verhuisde. 
“Zaten we allemaal in de aula van ’t Boveneind met een blauwe sjaal om”, zegt Leppers vol trots. “Toen we naar buiten liepen stonden er allemaal kinderen met blauw-witte vlaggen. En dan moest je door de haag van vlaggen lopen. Dat deed me heel wat. Daar schoot ik vol van. Soms vraag ik me af: waar hebben wij dat aan verdiend? Dat deed me echt veel. Nu nog.”

Leppers had een hechte band met de oud-doelman, net als met Elzo Scholts, Jan Ditewig en Gerard Hoedeman, enkele andere spelers uit die tijd die nu nog altijd het Panhuis bezoeken. Om de zes weken ging het viertal op bezoek bij Jacob van de Pavert, om oude herinneringen over het voetballen op te halen. Dat deed wat met de vier, ook met Van de Pavert. Enige tijd later overleed de oud-doelman.
“De dag na het overlijden kreeg ik een telefoontje van de vrouw van Jacob. Of wij bereid zouden zijn om hem naar zijn laatste rustplaats te brengen.”
Alle vier stemden ze in. Een paar dagen later reden ze, met z’n vieren, Van de Pavert naar zijn rustplaats. Een laatste ode aan de trouwe doelman die hen altijd zo dierbaar was gebleven.

Want trouw, dat is wat het G.V.V.V. van 1958, 1959 en 1960 zo kenmerkt. Het was een veredeld vriendenelftal. Alle spelers woonden in een blauwwitte buurt: op de Buurtlaan, op de Nieuweweg of op de Holleweg. Niet zo gek ook, want het veld lag aan de Buurtlaan, toen nog gemeente Ede. De buren waren vaak speler of supporter. Buitenspeler Elzo Scholts werd als ‘buitenstaander’ gezien. Hij woonde over het spoor, enkele kilometers verwijderd van de G.V.V.V.-buurt.

Dit waren de helden die in 1960 de derde promotie op rij bewerkstelligden.
Staand v.l.n.r. Anton Diepeveen, Arris van de Haar, Jacob van de Pavert, Wes van Dolderen, Jan van de Bovenkamp en Gerard van de Bovenkamp.
Zittend v.l.n.r. Jan Ditewig, Gerard Hoedeman, Hennie van Essen, Anton Leppers en Elzo Scholts.

PINGELAAR
Anton Leppers woonde van jongs af aan op de Nieuweweg. Hij kwam al snel in aanraking met het voetbalspelletje. “Als ik thuiskwam van school dacht ik meteen aan de bal. Op de Nieuweweg had je van die grote bomen staan, die dienden als doel bij het partijtje. Dan leerde je wel voetballen. Ik was een pingelaar”, vertelt Leppers lachend. “Je leerde voetballen op de straat met jongens die ook goed konden voetballen. Liepen we in de dam te trappen met een bal. Je wilde graag doelpunten maken. Dat was het voetballen”.

Als jochie van twaalf begon Leppers bij G.V.V.V., in de juniorenafdeling. Ze zagen op de Buurtlaan al snel een midvoor in de sierlijke voetballer, die met zijn techniek in staat was een man te passeren. Op zijn zestiende maakte Leppers zijn opwachting in het eerste elftal, dat in tweede klasse van de UPVB (Utrechtse Provinciale Voetbal Bond) speelde. Natuurlijk als midvoor, want dat was de positie waar Leppers zijn kwaliteiten optimaal kon benutten.

De omstandigheden in die tijd waren voor een voetballer verre van goed. Heel slecht zelfs, ook bij G.V.V.V. Achter het veld, dat in goede staat was, liep een sloot. Daar mochten de spelers water uit scheppen, om zichzelf te wassen. Omkleden deden ze in een stal, met allemaal koeien erin.
Leppers: “Als we op zaterdag uit moesten voetballen, kwam Jelis Leppers (vader van de gelijknamige oud voorzitter) om 13.00 uur met een veeauto naar de Buurtlaan. De vrachtwagen kwam regelrecht van de markt af. Hij werd schoongemaakt en voorzien van houten tuinbanken. Zo gingen we naar uitwedstrijden. Als we in een bocht reden, moest je uitkijken dat je niet omviel”.

ÉÉN CLUB, DAT IS G.V.V.V.
Het maakte Leppers niet veel uit, voetballen deed je immers met je vrienden en je had veel schik. Een leuke bijverdienste ook, naast zijn werk op de Scheepjeswolfabriek. Na zijn militaire dienst werd Leppers op 20-jarige leeftijd gevraagd voor het eerste elftal van v.v. Veenendaal, destijds een zondagclub. Veenendaal betaalde veel meer dan een clubje als G.V.V.V. dat pas tien jaar bestond. Voor het eerst in zijn carrière verruilde Leppers G.V.V.V. voor een andere vereniging. Het was tevens de laatste keer.
“Ik kreeg bij Veenendaal vijf gulden per training. Dat lijkt nu weinig, maar toentertijd was het veel. Later had ik er flink berouw van, en ben meteen teruggegaan naar G.V.V.V. Ik miste de jongens waar ik mee begonnen was. We waren elf vrienden en elf goede voetballers. Die miste ik. Bij Veenendaal had je ook goede voetballers, maar bij G.V.V.V. paste ik veel beter in het elftal. Bij Veenendaal was het anders, de ene keer begon je op de bank, of als je wel speelde was het iedere keer op een andere positie. Er is maar één club voor mij en dat is G.V.V.V.”.

GROLSCH-BOYS
Naast de terugkomst van Leppers keerde ook Gerard Hoedeman in 1958 terug van een avontuur bij FC Wageningen. Ze waren ideale versterkingen voor G.V.V.V., dat in het seizoen daarvoor kampioen was geworden in de eerste klasse van de UPVB. Het eerste kampioenschap in de reeks van drie. De Veenendalers promoveerden naar de vierde klasse van de KNVB en werden ook daar afgetekend kampioen. Het seizoen daarop, 1959-1960, waren de mannen van trainer Cees Heikamp, tot ieders verbazing, opnieuw de beste.   
“De derde keer werden we kampioen zonder te voetballen. We stonden bovenaan en waren al uit gevoetbald. IJsselmeervogels moest tegen OSO uit Hilversum. Als IJsselmeervogels won kregen we nog een beslissingswedstrijd, want wij stonden twee punten boven hen (destijds kreeg je twee punten per overwinning). Toen had je nog geen Teletekst, dus je moest maar afwachten wat er gebeurde via radioberichten. We zaten in het café. Toen hoorden we dat ze verloren hadden met 1-3. Het bier vloeide rijkelijk in de G.V.V.V.-buurt. Het leverde het eerste elftal de bijnaam ‘Grolsch-Boys’ op. Een verdere uitleg is niet nodig.”

Dat derde kampioenschap op rij was een ongekende prestatie voor de buitenwacht, maar de spelers zelf wisten vanaf 1958 dat ze hiertoe in staat waren. Zij werden door velen hartelijk gefeliciteerd, zelfs door spelers en het bestuur van aartsrivaal DOVO. G.V.V.V. acteerde voortaan op het hoogste amateurniveau van die tijd: in de tweede klasse van de KNVB.

Leppers was nog altijd middenvoor, maar daar kwam al snel verandering in. Noodgedwongen. Anton Diepeveen, de rechtsback, werd aan het begin jaren ’60 ziek. Hij kon zo nu en dan nog voetballen, maar vaker stond hij langs de kant.
Er moest dus een nieuwe rechtsback komen. “Cees Heikamp, de trainer, vroeg aan mij of ik wilde backen. Dat was niet de eerste keer. We waren onderweg naar Zuidvogels. Anton was er ook nog bij, en toen kwam Cees naar me toe”.

‘Je gaat vanmiddag rechtsback spelen hè. Anton is ziek’. Ik zei: ‘Cees, nee dat doe ik niet. Ik ben middenvoor. Ik heb van tevoren een spelerskaart gehad met de opstelling en daar sta ik als middenvoor op’. ‘Nee’, zei Cees. ‘Je gaar naar de rechtsbackpositie’. ‘Dat doe ik niet’, zei ik. ‘Dan doe je helemaal niet mee. Klaar’. Heel eigenwijs zei ik: ‘Nou dan doe ik niet mee’.

Op de dinsdagavond daarna moest ik bij het bestuur komen. ‘Anton, wat is er gebeurd?’. ‘Ik wilde niet backen’, zei ik. ‘Dat kan niet’, was het antwoord.

“Ik ben nog nooit geschorst door de KNVB, maar één keer door G.V.V.V. Ik kreeg twee wedstrijden schorsing omdat ik niet wilde backen. Ik mocht niks over de opstelling zeggen, de trainer besliste”.

DE RECHTERFLANK
Later zag Leppers in dat hij fout zat en richtte zich vol overgave op de rechtsbackplaats. En dat ging goed, heel erg goed zelfs. Leppers heerste op de rechterflank, zelfs toen IJsselmeervogels-legende Jan Vedder voor hem stond. Dat vond hij de mooiste duels. In het begin van het duel liep de rechtsback een paar keer tegen zijn opponent aan, ‘zodat hij wist dat jij er ook was’.
Schoppen deed Leppers niet, maar hij ‘legde ze op een goede manier op de grond’. Dat hield in, een schouderduw uitdelen, het shirtje vastpakken of de tegenstander laten struikelen.

NOOIT MEER VOETBALLEN
Anton Leppers leek een glorieuze carrière tegemoet te gaan als rechtsback – hij stond op het lijstje van de selectie voor het Nederlands amateurelftal – tot die wedstrijd in 1964, tegen Excelsior ’31 in Rijssen.
“Ik zette mijn voet over de lijn om een bal binnen te houden, en ik kreeg tegelijkertijd een trap op mijn onderbeen. Mijn been vloog helemaal naar de zijkant. Mijn meniscus was kapot en mijn kruisbanden waren volledig afgescheurd. Sindsdien heb ik nooit meer kunnen voetballen”.

Hij dacht eerst dat het allemaal wel meeviel en dat hij een paar weken later wel weer kon voetballen. Na een paar trainingen besefte hij dat het niet meer ging, zijn voetballoopbaan was op 28-jarige leeftijd voorbij. Trainer Arie Schans stimuleerde hem jaren later om jeugdtrainer te worden, maar ook toen kreeg Leppers te veel last van zijn rechterbeen en ook nog zijn rug.

De rechterknie van Leppers is nu helemaal van plastic. De constructie zit een beetje scheef, maar ach wat heeft het nog voor zin om er op deze leeftijd wat aan te laten doen. Hij kan elke zaterdag naar het Panhuis om zijn cluppie te bekijken, samen met Elzo Scholts, Gerard Hoedeman en Jan Ditewig. Hij wijst ze aan op het Delftblauwe bordje en zegt:
“Wij zijn de grondleggers van G.V.V.V. geweest”.

Tekst: Jeroen van Barneveld
Foto Anton Leppers: Prodifo

===========================================================================================

Op- en/of aanmerkingen, toevoegingen, aanvullingen, (opbouwende)kritische noten, etc. etc. op episoden van deze rubriek zijn altijd van harte welkom. Dit alles om de clubhistorie zo volledig mogelijk en juist te kunnen vastleggen voor het nageslacht. Reacties kunnen, bij voorkeur via email, worden gezonden naar: webredactie@gvvv.nl

Tekst: Bas van Capelleveen.

Eerder verschenen in deze rubriek:
1. Doorstroming naar profs op laag pitje
2. Eerste winst op nieuw VRC veld was voor plaatsgenoot GVVV
3. Alles in het teken van de rentree
4.
Kampioenschap vol overtuiging binnen gehaald door G.V.V.V. 2
4a. Aanvullingen op deel 4
5. Jelis Leppers langstzittende voorzitter in de clubgeschiedenis
6. Van de(n) Bovenkampen onlosmakelijk verbonden met G.V.V.V.
7. Gerard Hoedeman en Jan Ditewig houden van het spelletje
8. Club anekdoten verzameling
9. G.V.V.V. bekeken door de ogen van journalisten
10. De twee eerste Panhuis derby’s in competitieverband
11. Familie Van Hunnik en Panhuis derby’s
12. Van cluborgaan tot Vizier (deel 1)
13. Onderlinge transfers tussen G.V.V.V. en DOVO

Meer over de geschiedenis van onze club kunt u vinden op de facebook pagina ‘Historie van G.V.V.V.’ die wordt onderhouden en gemodereerd door Gert van Holland.